Een jonge moeder

Toen mijn moeder nog leefde vertelde ze me een keer over de tijd waarin mijn broer werd geboren, haar eerste kind. Ze woonde in zo’n oude bovenwoning in Dordrecht, had een onderbuurvrouw die klaagde en een man die er vaak niet was. Ze was overspannen toen.

Dit is mijn verbeelding van die periode.

Het is het jaar 1962. In die tijd werd van vrouwen verwacht dat ze thuisbleven, blijven werken was uitzonderlijk. Mentale klachten bestonden wel, maar er werd weinig over gesproken. Het was iets om je voor te schamen. Hulp was niet vanzelfsprekend en veel vrouwen stonden er alleen voor. En omdat er nog veel woningnood was na de oorlog, woonden veel gezinnen klein, in gehorige en koude huizen.

De vloer kraakt bij elke stap die ik zet. Alsof het huis weet hoe moe ik ben en het hardop wil zeggen. De planken zijn oud, de muren dun. Ik durf amper te ademen. Als hij huilt, verstijf ik. Ik luister, niet naar hem, maar naar beneden: naar het moment waarop ik hoor hoe de onderbuurvrouw haar voet op de eerste tree zet. Ik weet wat dat geluid betekent. Als hij nog harder gaat huilen, komt zij weer klagen.

We wonen op een bovenwoning in de wijk Krispijn in Dordrecht. Ik ben nu twee jaar getrouwd. Twee jaar is niets, zeggen ze, maar het voelt als een heel leven. Gisteren heb ik een kind gekregen, Jan. Mijn lichaam voelt alsof ik ben uitgewrongen. Alles doet pijn.

Henk was er vandaag alweer niet. Werken, zei hij. Er moet geld verdiend worden. Gisterenavond ook niet. Toen ging hij naar het café. Vieren dat hij vader is geworden, met zijn maten. Ik lag op bed en dacht dat het makkelijker zou zijn om niet meer wakker te worden dan om op te staan voor Jan. Die gedachte duwde ik weg. Zo dacht je niet. Je droeg je lot, zonder te klagen.

Jan huilt veel. Ik probeer hem dan met mijn stem tot bedaren te brengen. Of ik buig me over de wieg en wrijf over zijn buikje. Ik til hem niet op. Dat durf ik niet. Mijn handen trillen en ik ben bang dat ik hem laat vallen. Als hij te lang huilt, bonkt de onderbuurvrouw eerst met haar bezem tegen het plafond. Als dat niet helpt, komt ze naar boven.

Ik praat er niet over. Over gevoelens praat je niet. Je zet je tanden op elkaar en je gaat door. Als je getrouwd bent, los je het op binnen het gezin. Dat gezin is dit: ik, een huilende baby en een man die er niet is.

Ik verman me. Het is mooi weer. Ik moet naar buiten, frisse lucht. Weg uit deze verstikkende woning. Ik haal diep adem en pak Jan uit zijn wieg. Hij voelt zwaar en breekbaar tegelijk. De trap is steil, mijn benen zijn slap.

Op de laatste tree voel ik ineens een hand om mijn arm.

De buurvrouw.

Haar ogen zijn donker, priemend.
“Jij en dat kind van jou maken te veel herrie,” zegt ze. “Als het niet ophoudt, waarschuw ik de huurbaas. Die zet jullie eruit.”

Mijn adem stokt en ik begin te huilen, zomaar, ongecontroleerd. Jan tegen mijn borst, zijn hoofdje warm. De buurvrouw kijkt niet weg.  Ze verzacht niet, medelijden hoef ik van haar niet te verwachten. Alleen die harde blik.

Ik schiet langs haar heen, de deur uit, naar buiten.

Lees meer