Wanneer woorden in de weg zitten

Soms begin ik aan een boek en leg ik het na een paar pagina’s weer weg. Niet omdat het onderwerp me niet interesseert, maar omdat de taal me tegenwerkt. Ik moet te hard mijn best doen om door de zinnen heen te komen. Dan haak ik af.

Vaak komt dat door wat paars proza heet. Taal die teveel schittert. Mooie zinnen, veel woorden, maar weinig richting. Het voelt alsof de schrijver vooral bezig is met indruk maken, niet met vertellen.

Je ziet het terug in bijvoeglijke naamwoorden die niets doen. De rode auto. De knappe vrouw. Prima, maar waarom moet ik dit weten? Als het geen functie heeft, leidt het af. Wat maakt die auto relevant? Waarom is die vrouw knap? Zonder context blijven het lege kwalificaties.

Wollige taal

Hetzelfde geldt voor taal die niet past bij het personage. Moeilijke en dure woorden die haaks staan op het personage. Een timmerman die denkt als een hoogleraar. Een kind dat praat in metaforen. Dan ben ik weg. Het klopt niet. Taal moet passen bij wie spreekt, anders valt de lezer uit het verhaal.

Ik zie dit ook buiten boeken. In organisaties bijvoorbeeld. Daar heet het geen paars proza, maar wollige taal. Zinnen die veel beloven maar weinig zeggen. Teksten vol abstracties, containerbegrippen, vakjargon en lange omwegen, waardoor je echt moet zoeken naar de kern. Waar gaat het nou eigenlijk over?

Oeverloze beschrijvingen kunnen net zo goed in de weg zitten. Pagina’s landschap, uitgebreide portretten, details die nergens toe leiden. Details zijn prima, ze geven kleur en sfeer, zolang ze iets doen. Als ze het verhaal niet vooruithelpen, houden ze het tegen. De kunst is weten wat je weglaat.

Wat voor mij helpt: hardop lezen. Zodra ik haper of struikel over zinnen, weet ik genoeg. Dan staat er te veel. Of het staat er verkeerd. Goede teksten laten zich soepel hardop lezen.

Schrijven is kiezen. Wat je laat staan, en vooral wat je weglaat.

Lees meer